Mirjam de Klerk werkte 35 jaar als journalist, onder meer bij de Leeuwarder courant, Frieslandpost en heeft jarenlang als freelancer gewerkt.
Al mijn hele leven lang hoor ik allemaal verhalen over de 35 jaar dat zij journalist was, ze heeft veel gedaan, gezien en meegemaakt. Maar hoe was het nou om vrouw te zijn in een tijd waar het werkveld werd gedomineerd door mannen? En wat kan ik als beginnend journalist van haar leren. Ik zoek haar op in haar huis in Harlingen voor een gesprek over het vak, haar vak. Mirjam gaat tegenover mij zitten, en zet een stukje gebak voor mijn neus neer en steekt van wal.
Vrouw zijn in een mannentijd
“In die tijd was het een echte mannenwereld, maar ik bleef mezelf. Ik kleedde me vrouwelijk, op hakken en in een leuk pakje, terwijl ik tussen al die mannen stond. Dat vond ik schitterend.
Het mooiste waren de directeuren. Toen was oma nog jong en mooi, en ze probeerden me vaak te versieren of afspraken met me te maken. Eén keer had ik een vergadering met een onderdirecteur, tot de directeur binnenkwam, naar me keek en zei: O, ik neem het wel over.
Ik vond het juist prachtig. En later vertelde ik het in geuren en kleuren aan je grootvader, die meteen wist wat ik bedoelde. We lagen samen in een deuk.”
“Op de zwarte lijst na één avondje feminisme”
“In de jaren zeventig, toen het feminisme in volle hevigheid oplaaide, kreeg ik de vraag om een avond bij te wonen in het Vrouwencafé van Harlingen. Ze wilden graag wat publiciteit, en als freelancer leek het me wel interessant. Ik was er al eerder geweest en had geschreven over hun start en activiteiten, maar deze avond beloofde anders te worden.
De lezing werd gegeven door Guri van Brouwershaven – een naam die ik nooit meer zal vergeten. Wat ze verkondigde, deed mijn tenen krommen. Volgens haar was geen enkele man deugde en werden alle vrouwen onderdrukt. Een eenzijdig, ronduit belachelijk verhaal. Ik kon het niet laten en schreef een kritisch – misschien een tikje vals – stuk over die avond.
Dat werd niet in dank afgenomen. Kort daarna stond er een afvaardiging van het café op de stoep. Ze wilden met me praten, vonden mijn stuk onterecht en eisten dat ik niet meer over hen zou schrijven. Maar ik stond achter elk woord. “Als jullie zo doorgaan, zijn jullie binnen een half jaar weg,” zei ik.
Binnen drie maanden was het Vrouwencafé verleden tijd. Ervan genoten ? Ja, tuurlijk.”
Privébadkamer
“Ik heb wel eens wat gedaan voor een financieel dagblad. Ja, ja.
Op een dag vroegen ze: ‘Kun je de commissaris van de Koningin interviewen? Ja, natuurlijk kan dat.’ Dat was trouwens de enige keer dat ik van tevoren mijn vragen moest inleveren.
Vond ik dat een vorm van censuur? Nee, maar wel raar, want dat deed ik normaal nooit. Toch begreep ik het ook wel—het lag wat gevoelig.
Het ging om commissaris Reitsma. Het werd uiteindelijk een heel leuk interview, al was er iets vreemds aan. Op een gegeven moment moest ik naar de wc in het provinciehuis. Bleek dat hij een privébadkamer had, direct naast zijn prachtige kantoor. En daar stonden zijn scheerapparaat, tandenborstel en andere persoonlijke spullen. Dat vond ik wel grappig. Hij sliep daar soms ook als het laat werd.
Later, bij een officiële gelegenheid waar ik als journalist bij was, riep hij ineens keihard: ‘Dag mevrouw de Klerk, hoe is het met u?’ Iedereen keek verbaasd op: huh?
Maar het was gewoon een heel leuk interview. Ik heb me keurig aan de tekst gehouden. Ze wilden het achteraf nog lezen, maar uiteindelijk hoefden ze niets te veranderen.”
Bord voor de kop
“Ik ben nooit verlegen geweest. Dat heb ik nooit gehad. Ik weet nog dat ik bij mijn allereerste baantje bij de Hengelclub en de eerste krant op het eiland meteen vol zelfvertrouwen aan de slag ging.
Toen ik belde voor die baan, zei ik: ‘Al moet ik morgen de koningin interviewen, dat doe ik net zo makkelijk.’ Dat vonden ze wel grappig, maar ik meende het oprecht. Een commissaris van de koningin interviewen? Of een minister? Ze moeten allemaal ook gewoon naar de wc, toch?
Ik heb nooit tegen iemand opgekeken. Hoe vaker ik het deed, hoe meer ik besefte: het zijn ook maar gewoon mensen. Natuurlijk respecteer ik iemands functie en houd ik daar rekening mee, maar ik heb nooit gedacht: ‘Oh gut, een of andere hoge piet!’
Dat gold ook voor lezingen. Ik dacht er niet te veel over na, ik deed het gewoon. Bord voor mijn kop en gaan!”
Interviewen is geen trucje, maar een gevoel
“Weet je, als ik één ding heb geleerd, is het wel dat je nooit tegen iemand op moet kijken. Echt niet. Of je nou een CEO, een minister of zelfs de koning interviewt—het blijven mensen. Natuurlijk, soms moet je bepaalde protocollen volgen, dat is prima. Maar laat je daardoor niet intimideren.
Wat écht belangrijk is in een interview, is openstaan voor de ander. Mensen voelen dat aan. En weet je wat nog beter werkt? Een stukje van jezelf geven. Niet alleen je vragen afvuren, maar ook inhaken. Als iemand iets persoonlijks vertelt en jij zegt: ‘Oh ja, dat herken ik, ik heb ook zoiets meegemaakt,’ dan gebeurt er iets bijzonders. Dan ontstaat er een echt gesprek.
Vaak merk je dan dat mensen zich laten gaan, ze vertellen meer dan ze van plan waren. En dat is mooi, want dat betekent dat ze zich veilig voelen. Soms schrikken ze er later van: “Heb ik dat echt gezegd?” Daarom is het zo belangrijk om als journalist aan te voelen wat je wel en niet opschrijft. Je moet weten waar de grens ligt. Sommige dingen zijn simpelweg te persoonlijk om te publiceren, en dat voel je intuïtief aan.”